Zypendaal in oorlogstijd: periode vol schimmigheden?

Zypendaal | Gelderland

03 mei 2020 | Jorien Jas


Over de oorlogstijd op huis Zypendaal heersen tegenstrijdige berichten. Zat het ‘kasteel’ vol met evacués, liefdevol opgevangen door ‘kattenmie’, of was huis Zypendaal Duits militair hospitaal, waar de pensionhoudster en haar gasten een rol hadden in de verzorging van Duitse militairen?

‘Kattenmie’
De periode vanaf de Tweede Wereldoorlog tot aan de voltooiing van de restauratie van huis Zypendaal kan worden samengevat als een tijdperk van vele gebruikers en wisselend gebruik. Zypendaal fungeerde als pension, hospitaal, militair stafkwartier, tot het uiteindelijk een bestemming kreeg als kantoor gecombineerd met de openstelling van de ingerichte hoofdverdieping waar de sfeer van de Brantsen’s herleeft.
Hoewel in 1937 sprake is van verhuur van huis Zypendaal aan het Ministerie van Oorlog verzoekt halverwege hetzelfde jaar Mia Schulte van Zegwaart aan de Arnhemse gemeenteraad het huis en de bijgebouwen te huren. Het achterstallig onderhoud is groot en de financiële situatie van de gemeente is niet rooskleurig. Uit de beschrijvingen blijkt de zorgelijke toestand: “de meest elementaire voorzieningen als gas, water, elektriciteit worden er tevergeefs gezocht, terwijl centrale verwarming (…) eveneens ontbreekt.”
De gemeenteraad stemt toe en verhuurt Zypendaal aan Mia Schulte van Zegwaart, die vanwege de 25 katten waarmee zij zich omringt ‘kattenmie’ wordt genoemd. Zij exploiteert Zypendaal vanaf 1 maart 1938 als een pension voor “echtparen op leeftijd uit den deftigen stand”. Tot in 1950 blijft zij pensionhoudster op Zypendaal. Als zij in 1950 in een brief aan de gemeente omschrijft wie de eerste pensiongasten waren, vallen de namen op van “baron van Heemstra en freule van Heemstra”. Opvallend omdat ook in de levensbeschrijvingen van Audrey Hepburn wordt verwezen naar logeerpartijen in het ‘kasteel’. Baron Van Heemstra was oud-burgemeester van Arnhem en Audrey Hepburn was zijn kleindochter.

Militairen en evacués
In de eerste oorlogsjaren kwamen er andere pensiongasten. In 1941-1942 zou een veertigtal kleuterleidsters-in-opleiding uit het Ruhrgebied op Zypendaal hebben verbleven, inclusief hun onderwijzeressen die de lessen gewoon voortzetten. Snel na hun vertrek is Zypendaal vermoedelijk ingericht als militair hospitaal van de Wehrmacht. Na de mislukte operatie Market Garden lag Zypendaal in het spergebied, een niemandsland tussen de Parkweg en de Schelmseweg. Daardoor is nog steeds onduidelijk is waarvoor Zypendaal is gebruikt sinds de evacuatie van Arnhem in 44/45. Er zijn vermeldingen dat de evacués toestroomden: alleen al twintig geëvacueerden zouden zijn ondergebracht in de oranjerie. De belevenissen van enkele van de evacués zijn opgetekend. Mia Schulte van Zegwaart wordt beschreven als een hulpvaardige en moedige vrouw. De evacués deden in moed niet voor haar onder getuige de verhalen over de voedselrooftochten in de geëvacueerde stad. Het duurt vervolgens nog tot 26 april 1945 voordat de Canadezen huis Zypendaal zonder strijd kunnen innemen. Huis Zypendaal is de oorlogsjaren zonder veel schade doorgekomen. Maar het reparatie van scherf- en kogelgaten is nog steeds af te lezen aan de gevel

Note:
Deze tekst is eerder verschenen als:
Jas, J. (2005). Zypendaal na de Brantsens (deel 2).
In: Infobulletin Parken Sonsbeek, Zijpendaal en Gulden Bodem. (Vereniging Vrienden van Sonsbeek), jrg. 17, nr. 4, zomer 2005, pp. 4-6.

Bronnen
— J.C. Bierens de Haan, Kasteel Zypendaal te Arnhem, in Kroniek (uitgave van de oudheidkundige en historische afdeling van het Gemeentemuseum Arnhem), jrg. 5, nr. 1, april 1988, p. 2-6.
— Gelders Archief, Archief Gemeente Arnhem: secretariearchief 1937-1961.
— Rijksdienst voor de Monumentenzorg, Oud Archief II, pandsdossier Kasteel Zypendaal 1961/1970-1979.
— Dick Schilder, Het einde van het Arhemse costumierbedrijf P.C.G.J. Schilder en zonen, in Arnhem de genoeglijkste, jrg. 21, nr. 4, december 2001, p.166-172.
— W.H. Tiemens, Zypendaal, in Stichting Vrienden der Geldersche Kasteelen 1965-1975, p. 171-187