Verdwenen kastelen in de kop van Drenthe en het Gorecht

Lemferdinge - De Waterburcht - Het Bolwerk | Groningen

30 mei 2020 | Diana Spiekhout en Annabelle de Gast


Wie in de middeleeuwen door de Kop van Drenthe naar Groningen zou reizen, kwam onderweg veel kastelen tegen. In de nieuwe tijd groeiden sommige van deze burchten uit tot landgoederen met prachtige tuinen. Tegenwoordig is er maar weinig van deze historische gebouwen zichtbaar. Maar als je goed kijkt kun je in het landschap nog altijd sporen ontdekken van deze indrukwekkende plekken. In dit artikel worden drie plekken uitgelicht: kasteelterrein de Waterburcht, landgoed Lemferdinge en het Bolwerk.  

De Waterburcht
Ten zuiden van het dorp Eelde liggen de restanten van een middeleeuws kasteel dat bekend staat onder de naam de Waterburcht. Dit kasteelterrein is van groot belang voor ons begrip over kastelen in de Lage Landen, aangezien ter plekke nog de restanten van een stelsel van meervoudige wallen en grachten boven het maaiveld zichtbaar zijn. Dit soort stelsels kwam in de middeleeuwen veel vaker voor rondom kastelen, maar zijn in de eeuwen daarna verdwenen.

Het ovale wallen- en grachtenstelsel van de Waterburcht heeft een doorsnede tussen circa 160 en 185 meter en bestaat uit tenminste vijf tot zeven grachten die van elkaar gescheiden worden door wallen. Het centrum van het kasteel bestaat uit twee eilanden die op basis van de resultaten van archeologisch onderzoek zijn gereconstrueerd. Ten noordoosten van het ovale grachtenstelsel buigen twee grachten af richting de huidige weg. Deze zouden een mogelijk voorburchtterrein kunnen omsluiten, maar deze mogelijkheid is tot op heden niet onderzocht.

De tot dusver uitgevoerde archeologische onderzoeken hebben nog geen inzicht opgeleverd over de ouderdom van de burcht, maar onderzoekers vermoeden dat het in de dertiende eeuw is gebouwd in opdracht van de schout van Eelde. De eerste vermelding van een kasteel te Eelde dateert van 1266. Abt Menko van het klooster Bloemhof heeft in zijn kloosterkroniek beschreven dat de zonen en de neven van schout Rotger een kasteel begonnen te bouwen in Eelde, maar dat dit kasteel-in-aanbouw werd verwoest. Of dit gebeurde op de locatie van de Waterburcht is onduidelijk.

Een tweede vermelding van een kasteel in Eelde dateert van 1400. De toenmalige landsheer, bisschop Frederik van Blankenheim, liet gedurende de Utrechts-Groningse oorlog (1400-1405) een kasteel in Eelde bouwen om de (water)wegen van en naar Groningen af te sluiten. Dit kasteel werd in 1405 alweer afgebroken. Aan te nemen valt dat de bisschop een tijdelijke versterking heeft laten bouwen, hoewel door het gebrek aan gegevens ook niet valt uit te sluiten dat hij een bestaand verdedigingswerk zoals de Waterburcht heeft gebruikt.

Pas in 1453 wordt de Waterburcht met zekerheid genoemd. Hake ter Borch diende toen een soort belasting, precarie genoemd, aan de bisschop te betalen over zijn onroerend goed de Borch en toebehoren in Eelde. Aangezien Ter Borch de naam is voor het huis op de Waterburcht dat het recht tot havezate kreeg, moet het dus in dit document wel gaan om de Waterburcht. De familie Ter Borch komen we in geschreven bronnen tegen vanaf 1392. Aan te nemen valt dat zij hun naam hebben ontleend aan het bezit van de Waterburcht. De familie Ter Borch is verwant aan de Eelder schultenfamilie en andere riddermatigen uit Eelde en omgeving.

Lemferdinge
Ten noordoosten van het dorp Eelde-Paterswolde ligt het huis Lemferdinge. Het gebouw dat tegenwoordig deze naam draagt was in de zeventiende eeuw niet het hoofdgebouw, maar één van de twee schathuizen. Dat waren bijgebouwen van de edelmanswoning. Wie voor de ingang van het nog bestaande schathuis staat en richting het oosten kijkt, zou in de zeventiende eeuw het tweede schathuis hebben gezien. In het midden van deze twee gebouwen stond in noordelijke richting het herenhuis Lemferdinge. De contouren van de locaties van de verdwenen gebouwen zijn nog te zien in de huidige tuinaanleg.

Lemferdinge bestond al in 1447. In dit jaar kreeg Steven ter Borch van zijn vader verschillende goederen voor zijn huwelijk, waaronder de hof Lemferdinge. Waarschijnlijk gaat het op dat moment om een boerenbedrijf en woont Steven zelf niet op de hof. De eerste aantoonbare bewoners van Lemferdinge zijn Arent en Johanna Dulmen-Ovingh. Zij hebben door erfenis het huis rond 1576 verkregen. Pas in 1649 krijgen we een indruk van de omvang. In dat jaar werd de grondbelasting vastgesteld van het onroerend goed in en rondom Eelde. De opsteller van het register vermeldde dat Lemferdinge op dat moment onder andere bestond uit het bovenhuis, een meiershuis, een schuur en bijbehorende landerijen.

De regent Lucas Nijsingh heeft aan het begin van de achttiende eeuw Lemferdinge laten her- en verbouwen. Toen Samuel Nijsingh, zoon van Lucas, in 1721 op het nieuwe Lemferdinge ging wonen waren deze bouwwerkzaamheden nog niet voltooid. Het huidige huis en de in de tuin zichtbare contouren van de verdwenen gebouwen zijn in deze periode opgetrokken. Dat blijkt uit een in 1742 opgetekende lijst waarin een inventarisatie staat van nieuw gebouwde huizen. De opsteller vermeldde het huis Lemferdinge, het oostelijk en westelijk schathuis en een meiersplaats (pachterswoning). Deze gebouwen worden ook genoemd in een beschrijving die in 1766 is gemaakt: het herenhuis met twaalf kamers, ruime kelders, schathuizen, tuinen, bos en landerijen behoorden toen allemaal tot Lemferdinge.

Dankzij de Franse luitenant-generaal Jean Baptiste Dumonceau krijgen we voor het eerst een indruk hoe Lemferdinge er in de zeventiende eeuw uit moet hebben gezien. Jean Baptiste liet in 1797, toen hij het huis net had gekocht, een kaart van de gebouwen en landerijen vervaardigen. We zien daarop dat het herenhuis werd omgeven door een gracht en dat er een ophaalbrug was. Daarvoor stonden de twee schathuizen. Jean-Baptiste bracht in de daaropvolgende jaren veranderingen aan. Zo liet hij het herenhuis voorzien van een nieuwe voorgevel. Ook heeft Jean Baptiste ervoor gezorgd dat de grachten werden gedempt en de tuinen werden uitgebreid. Op de locatie van de oude gracht kwamen nu bloemperken te staan. Nadat het huis tijdens noodweer in 1811 ernstig was beschadigd besloot Jean-Baptiste zijn goed te verkopen. De nieuwe eigenaar, Hendrik Uges uit Paterswolde, liet het beschadigde herenhuis en het oostelijke schathuis afbreken. Het westelijke schathuis maakte daarentegen een doorstart als woonhuis en is nu nog steeds te bewonderen.

Het Bolwerk
In de middeleeuwen lag op de Hondsrug een belangrijke interregionale route, de vrije koningsweg genoemd, tussen het Fries-Ommelandse kustgebied en de Drents-Overijsselse zandgronden. Tussen Noordlaren en Glimmen stuitte de reiziger op een barrière, want hier moest hij een natuurlijke laagte doorkruisen: het Besloten Veen. Op deze natuurlijke strategische locatie liggen de restanten van kasteelterrein het Bolwerk en een landweer, een soort defensiedijk, van meer dan 2 km lang. Een landweer had maar een beperkt aantal doorgangen en ter bewaking was er soms een versterking in de vorm van een wachttoren, schans of zelfs een kasteel. Het Bolwerk is rond van vorm en lijkt op luchtfoto’s uit tenminste twee grachten te bestaan. Ten noorden van de landweer en tegenover het ronde terrein is een rechthoekige verkleuring van waarschijnlijk een tweede grachtenstelsel zichtbaar. Deze verkleuring is alleen waarneembaar op een luchtfotoserie uit 1965 en komt niet op andere foto’s voor. Tot op heden heeft er op beide terreinen geen archeologisch onderzoek plaatsgevonden. Lichte glooiingen in het landschap in het weiland tegenover café De Blankenhoeve herinneren nog aan de ligging van deze defensiewerken.

Wie heeft deze defensiewerken gebouwd en uit welke tijd dateren ze? Archeologisch onderzoek heeft tot op heden niet plaats gevonden zodat we niet precies weten hoe oud het Bolwerk en de landweer zijn. Uit geschreven bronnen blijk dat in deze omgeving verschillende kastelen hebben gestaan. Het is goed mogelijk dat in de dertiende eeuw bij het Besloten Veen al een versterking stond, misschien wel het kasteel Mit- of Nutspete van de Drenten. Zeker is dat de landheer, Frederik van Blankenheim, in de Utrechts-Groningse oorlog op deze locatie het hoofdkwartier van de bisschoppelijke troepen liet bouwen dat de naam Blankeweer droeg. Deze versterking lag volgens geschreven bronnen in een landweer. Het doel was om de vrije koningsweg – de huidige Zuidlaarderweg – af te sluiten tussen Groningen en het zuiden. Hoewel Blankeweer in 1405 is afgebroken is het toponiem Blankeweer altijd blijven bestaan bij het Besloten Veen ten noorden van Noordlaren: het wordt op de oudst betrouwbare kaart ingeschreven ter hoogte van het Bolwerk.

Wil je een bezoek brengen aan deze verdwenen kastelen en de sporen bekijken die zijn achtergebleven in het landschap? Download dan HIER de Archeotrail fietsrondleiding Groningen.

 

Bronnen
— Domenie-Verdenius, T., 2013: Lemferdinge. Schakel in de tijd. Historische Vereniging Ol Eel, Groningen.
— Spiekhout, D., in druk. Middeleeuwse kastelenlandschappen in het Oversticht (1050-1425 AD). Een interdisciplinair onderzoek naar de samenhang tussen landschappelijke ligging, morfologie en maatschappelijke status van kastelen. (Proefschrift). Rijksuniversiteit Groningen.