Muziek in WOII; als troost of daad van verzet?

Bellinckhof - Der Boede - De Ruwenberg - Ter Horst | Nederland

06 februari 2020 | Merel Spithoven


In de Tweede Wereldoorlog bood muziek troost, was een daad van verzet of sloot de wereld even buiten. Reden voor de bezetter een verbod in te stellen, aan de hand waarvan veel musici en componisten zijn opgepakt. De Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) was belast met de handhaving. Eén man speelde daarbij een belangrijke rol: Jan-Govert Goverts. Toen de oorlog uitbrak zocht hij op aanraden van toenmalig NSB-woordvoerder Rost van Tonningen vrijwel meteen contact met de Duitsers. Goverts, die in 1941 lid werd van de NSB, wilde de leiding van het hele Nederlandse muziekleven in handen krijgen. Daartoe moest hij Duitse bevelen uitvoeren, zoals het ariseren van symfonische orkesten en het verbieden van muziek uit landen waarmee de bezetter in oorlog was. Toen Goverts de Joodse orkestleden moest verwijderen, zorgde hij ervoor dat zij in het Joodsch Symphonie-Orkest mochten spelen, een ensemble dat op zijn initiatief was opgericht. Mogelijk daarom heeft ongeveer de helft van de Joodse musici uit de symfonische orkesten de oorlog overleefd.

Bellinckhof
Een van de historische monumenten waar op de Dag van het Kasteel 2020 vertelconcerten worden gehouden is buitenplaats Bellinckhof in Almelo, ooit residentie van NSB-leider Anton Mussert. Diens beweging werd in december 1941 de enige toegelaten partij. Mussert kreeg een jaar later de (ere)titel Leider van het Nederlandse volk, maar werkelijke macht bracht dat niet met zich mee. De feitelijke rol van de NSB beperkte zich tot hulptroep van de Duitsers.
Op Dolle Dinsdag, 5 september 1944, deden geruchten over de bevrijding de ronde. Duitsers en NSB’ers sloegen massaal op de vlucht. Mussert besloot dat partijleden uit het westen en het centrum van het land naar het oosten moesten evacueren. Zelf verplaatste hij zijn hoofdkantoor van Utrecht naar de Bellinckhof, een landhuis van textielfamilie Ten Cate. Niet ver van de grens, voor het geval hij verder moest vluchten. Mussert bleef er tot 2 april 1945. Twee dagen later volgde voor Almelo de bevrijding. Nadien vestigden zich in de Bellinckhof Canadese officieren.

Huis der Boede
Eind 1940 betrok de Duitse politiek leider voor Zeeland, Willi Karl Ernst Münzer, met zijn gezin en staf Huis der Boede in Koudekerke. Tijdens zijn verblijf hield hij huiskamerconcerten waarvoor ook Zeeuwse notabelen werden uitgenodigd. Ging je niet in op zo’n invitatie, leidde dat niet zelden tot arrestatie. Münzer woonde in Huis der Boede tot de inundatie in 1944. Na de droogmaking van Walcheren werd het goed gebruikt voor de opvang van repatrianten en oorlogsinvaliden. In 1949 werd het het eerste verpleeghuis van Nederland. Reden waarom de lokale bevolking nog altijd veel verbinding voelt met het huis.

Kasteel De Ruwenberg
In mei 1940 werden bijna 2.400 Duitsers gearresteerd door de Nederlandse gouverneur-generaal in Nederlands-Indië. Als reactie hierop pakte de Duitse bezetter in ons land honderden Indische gijzelaars op. De eerste groep was vanuit Nederlands-Indië in Nederland op verlof. Leden van de tweede groep, niet uit Nederlands-Indië afkomstig, bekleedden vooraanstaande posities. Op 29 oktober 1942 wandelden deze Indische gijzelaars met volle bepakking van kamp Beekvliet naar Kasteel De Ruwenberg in Noord-Brabant.Jongensinternaat Grote Ruwenberg werd tijdens WOII samen met kleinseminarie Beekvliet kamp Sint-Michielsgestel. Er waren beroemde musici geïnterneerd, zoals het duo Juda en Baud. Juda was begeleider bij kooruitvoeringen en trad met andere gegijzelde (Indische) muzikanten op als Indisch orkest. Over een van die kampoptredens schreef hij: ‘[…] menigeen van de pas opgepakte mensen [kon] zich niet, of nauwelijks goed houden. Ze zaten met verkrampte gezichten, waarover soms de tranen biggelden, of waarvan alleen de ogen vochtig waren, te luisteren’. Vier van de gijzelaars in Kasteel De Ruwenberg waren joden, die eind juli 1943 naar Kamp Westerbork zijn overgebracht. Juda werd als enige ‘vergeten’. Waarschijnlijk was zijn muzikale functie binnen het kamp zijn redding. Juda en de overige gijzelaars kwamen met de ontruiming van Kamp Vught na ruim vier jaar vrij.

Kasteel Ter Horst
In WOII werd Kasteel Ter Horst in Loenen gevorderd door de Duitsers. Het werd toen bewoond door de houthandelaars familie Russelman. Na lang aandringen mocht de familie Russelman uiteindelijk in haar huis blijven: zij kreeg de gewelfkelders als woonruimte toegewezen. Zo kon de kasteeleigenaar toch enig toezicht blijven houden op zijn eigendommen. Kasteel Ter Horst was voor de Duitsers de ideale plek voor een communicatiecentrum, want er konden zendmasten op het dak worden geplaatst. Hiermee werd onder andere de Slag om Arnhem gecoördineerd. De salon (woonkamer) werd ingericht als ziekenboeg en operatiekamer voor gewonde soldaten. Negen Duitsers, die er aan hun verwondingen bezweken, zijn in het bos van Kasteel Ter Horst begraven. Na de oorlog zijn ze naar een militaire begraafplaats in Limburg verplaatst. Toen de soldaten in september 1944 vertrokken hoorde toenmalig kasteeleigenaar H. Russelman ze zeggen: ‘De kans dat wij terugkomen is niet zo groot…’. De Duitsers lieten veel spullen achter en kwamen inderdaad niet meer terug. Het kasteel werd bevrijd door Canadezen, die de overwinning vierden met grote feesten in de schuilkapel en het oudste koetshuis.

Dit artikel is ook verschenen in MONUMENTAAL nr.2 2020