Kasteel Doornenburg doelwit van RAF in 1940-1945

Doornenburg | Gelderland

01 maart 2020 | H.N. Bronkhorst


Nu dat het jaar 2020 is aangebroken en er landelijk veel aandacht is voor het feit dat Nederland 75 Jaar Bevrijd is, lijkt het gepast om nog eens stil te staan bij een aantal details van hoe en waarom het kasteel doelwit werd van de Royal Air Force (RAF).

Alsof er nooit iets gebeurd is
Het kasteel van Doornenburg staat er tegenwoordig bij ‘alsof er nooit iets gebeurd is’. Maar in het verleden ervan deden zich wel degelijk gebeurtenissen voor die aanleiding gaven voor omvangrijke herstel, bouw- of verbouwwerkzaamheden. In het jaar 1565 werd er in de aanloop op de 80-jarige oorlog (1568-1648) zelfs dermate intensief aan het kasteel gewerkt, dat de historicus Isaac Tyrion meende dat het toen ‘gebouwd’ werd.1 Tegenwoordig weten we echter wel beter… Mede op basis van onderzoek door de Rijksmonumentendienst weten we nu dat de eerste ‘stenen’ versie van het kasteel rond het jaar 1300 werd gebouwd.

In meer recente tijd vinden we ook bewijzen van zeer intensief bouwen aan het kasteel. Het oog valt daarbij op de perioden 1936-1941 en die van 1945-1966. Deze twee laatste perioden zijn aan de meesten van u waarschijnlijk nog wel bekend. In de periode 1936-1941 werd het kasteel naar oorspronkelijke staat gerestaureerd. Dit direct na aankoop van het kasteel door de Stichting tot Behoud van den Doornenburg. De periode 1945-1966 betrof het herstel van de enorme schade die in de Tweede Wereldoorlog was ontstaan. Over wie die schade had veroorzaakt, heeft nog lang meningsverschil bestaan. Direct na de oorlog kregen de Duitsers er de schuld van. Maar uit een zorgvuldig naoorlogs onderzoek van de historicus F.M. van Hemmen bleek, dat het met name de Royal Air Force (RAF) was, die in januari en maart van 1945 de grootste schade veroorzaakte.2 

De aanloop
Als gevolg van de geallieerde luchtlandingen in o.a. Nijmegen en Arnhem, in september van 1944 (Operation Market-Garden), had het krijgstoneel zich ook naar de Over-Betuwe verplaatst. Begin oktober 1944 bevond het front zich nog op slechts drie kilometer afstand van het kasteel. De opmars van de geallieerden was toen al wel tot staan gebracht. Het noordoostelijk deel van de Over-Betuwe incluis Huissen, Angeren en Doornenburg was echter nog in handen van de Duitsers. Het werd de geallieerden, maar ook de Duitsers, duidelijk dat de frontgevechten waarschijnlijk nog enige tijd in dezelfde regio zouden voortduren. Beide strijdende partijen gaven de bevolking in de Over-Betuwe opdracht te evacueren om te voorkomen dat er gedurende de nog komende oorlogshandelingen onnodig burgerslachtoffers zouden vallen. De bevolking in het door de geallieerden bevrijde gebied werd toen via Nijmegen naar het zuiden geleid. De Duitsers leidden de bevolking via Pannerden naar het noorden. In de kelders van het kasteel van Doornenburg bevonden zich op dat moment zo’n 170 gevluchte en schuilende burgers. Hoewel zij aanvankelijk dachten niet te hoeven evacueren, moesten zij op 12 oktober 1944 ook de Over-Betuwe verlaten. Het kasteel was, vanaf 18 september 1944 ook ingericht als Feldlazarett, waar gewonde Duitse soldaten werden opgevangen. Aan het bestaan van dat lazaret kwam per 12 oktober 1944 een definitief einde.

Ongewenste gasten
In reactie op de in september 1944 door de geallieerden uitgevoerde operatie Market Garden, waarbij o.a. luchtlandingen in de buurt van Arnhem en Nijmegen werden uitgevoerd, activeerden de Duitsers verschillende gevechtseenheden (Alarmeinheiten). Eenieder die een uniform droeg leek daarbij plots geschikt om te vechten. Zo activeerden zij reserve-eenheden, bewakingsdiensten, arbeidsdien-sten, politiediensten, luchtmacht-personeel en zelfs diverse een-heden die in onze regio nog in opleiding waren. Onder die haastig ingezette eenheden wa-ren ook de Duitse 9e en 10e SS-Panzerdivision. Deze waren zeer gevechtservaren, want zij had-den ook al in Rusland en Normandië gevochten. Ze waren nog maar net uit het front teruggetrokken. Op 7 september 1944 waren zij in de regio ten noorden en noord-oosten van Arnhem aangekomen om daar te herstellen, hergroeperen en herbewapenen. De mankracht van de 10e Panzerdivision zou daar worden aangevuld en zou materiaal zoals tanks, kanonnen en voertuigen van de 9e Panzerdivision overnemen. De 9e Panzerdivision zou in z’n geheel naar Duitsland worden verlegd en daar herbewapend.3 Deze 9e en 10e Panzerdivisionen vormden samen de kern van het IIe Panzerkorps, van generaal Wilhelm Bittrich (Generalmajor), die met zijn generale staf toen ook in onze regio was neergestreken (Oosterbeek). Ondanks dat dit Panzerkorps met haar ondergeschikte eenheden, zoals de twee voornoemde Panzerdivisionen, op het moment van het begin van de geallieerde operatie maar op halve sterkte was, was hun aanwezigheid in onze regio voor de geallieerden fataal. Het was met name de 10e SS-Panzer Division die direct bij aanvang van de gevechten al de opdracht had gekregen om naar Nijmegen op te trekken en daar de gelande Amerikaanse troepen te bestrijden. Omdat de brug bij Arnhem al op de eerste dag van de gevechten in Engelse handen was gevallen en het veerpont bij Huissen gezonken was, week de Duitse 10e SS-Panzer division naar de veerpont bij Pannerden uit. Toen bleek dat ook die veerpont al op 17 september was gezonken, werd aldaar snel een noodponton gemaakt. Daartoe hadden de Duitsers twee zandaken uit Millingen weten te slepen en aan elkaar gemonteerd. In de loop van de 18e september werden met die veerpont omvangrijke hoeveelheden troepen overgezet en op dinsdag 19 september zelfs tanks. Om al die troepen aan te sturen, was de bevelhebber van de Duitse 10e SS-Panzerdivision, generaal Heinz Harmel (SS-Brigadeführer) ook ter plaatse gekomen en had al op de 18e september een Gefechtsstand (hoofdkwartier) met radiozender op kasteel Doornenburg gestationeerd.4 Van daaruit voerde hij, samen met zijn generale staf, het bevel over nagenoeg alle toen in de Over-Betuwe aanwezige Duitse troepen (daaronder ook troepen van de 9e SS-Panzerdivision).

Zoals we nu weten waren hun gevechts-handelingen in de daarop volgende dagen niet zo succesvol. Ze waren niet opgewassen tegen de overdaad aan materiaal en troepen die het daar toen arriverende XXXe legerkorps van de geallieerden in de strijd kon werpen. De geallieerden konden zowel Nijmegen als de daar gelegen bruggen over de Waal veroveren. Rond 27 september 1944 was het de Duitsers echter wel gelukt om de geallieerde opmars in de Betuwe tot staan te brengen. Op 1 oktober 1944 begon generaal Harmel met de in de Over-Betuwe aanwezige Duitse troepen zelfs nog een grootscheeps offensief. Curieus is dat het kasteel in die periode voor de Duitsers ook functioneerde als Gefangenensammelstelle (verzamelplek voor gevangenen). Iets dat wel te begrijpen valt indien men zich realiseert dat de Duitsers dergelijke verzamelplekken voor krijgsgevangenen altijd vlak bij hun Bataillons- en Divisionsgefechtsstand hadden. Het is aldus niet vreemd dat we ook op kasteel Doornenburg zo’n verzamelplek vinden. De Duitsers hadden toen immers te Doornenburg een hoofdkwartier op divisie-niveau. De vlak bij zo’n hoofdkwartier verzamelde gevangenen werden in de regel door een stafofficier van de generale-staf van een betreffend bataljon of divisie ondervraagd. De zo ingewonnen informatie werd dan direct gebruikt bij de aansturing van de eigen troepen.5 In een ooggetuigenverslag van de kasteelboer Derksen lezen we dat er in de dagen direct voor de evacuatie zo’n 60 Engelse gevangenen op het kasteel waren gebracht.6 

Toen het generaal Harmel in de loop van de eerste week van oktober 1944 duidelijk werd dat de locatie van zijn hoofdkwartier door de geallieerden gepeild was (peiling van de divisie-zenders), gaf hij direct opdracht om de radiozenders en masten te verplaatsen. Een dag later liet hij ook het hoofdkwartier elders onderbrengen.

Het kasteel bleef echter niet lang leeg.
Toen de troepen van de 10e SS Panzerdivision in november 1944 door de 6e Fallschirmjägerdivision werden afgelost, kon ook hun generaal, Hermann Lucas Plocher (General-leutnant), het niet nalaten om op het kasteel een hoofdkwartier te vestigen. Het kasteel werd in die tijd ook voorzien van prikkeldraadversperringen en militaire bewakingsposten. De zware poortdeuren van de voorburcht waren gesloten en op de zijtorens van het poortgebouw stonden bewakers. Zelfs voor eigen Duitse militairen was het kasteel moeilijk toegankelijk. Zij mochten slechts op uitdrukkelijk bevel voet zetten op het terrein (aldus een verklaring van een voormalig te Doornenburg gelegerde Duitse Fallschirmjägerpionier).

Generaal Plocher haalde het hoofdkwartier echter alweer snel van het kasteel. Hij had door dat het, zoals hij na de oorlog nog eens benadrukte, ‘wie auf ein Presentierteller’ in het oog van de geallieerden lag…

Eind december 1944 werd zijn divisie afgelost door de 2eFallschirmjägerdivision. De bevelhebber van het 23e Regiment van die divisie, Majoor Walter Paul Liebing, meende dat het kasteel zich toch echt wel leende om er zijn hoofdkwartier in te vestigen.7 Iets dat de geallieerden niet ontging en hen uitnodigde om op 22 januari 1945 het kasteel vanuit de lucht te bestoken. De Duitsers verlegden direct na die aanval hun tot dan toe op het kasteel aanwezige eenheden naar Huissen.

Toch bleef het kasteel ‘trekken’. Er nam vervolgens een stafafdeling van het Fallschirmjägerartillerieregiment 2 intrek en nam de Spietoren van de hoofdburcht in gebruik als observatiepost. Dit blijkt uit de notities in een na de oorlog in het puin van kasteel Doornenburg gevonden Meldungsheft.8 Uit dat Heft blijkt duidelijk dat zij zeker van 8 tot en met 13 maart 1945 die observatiepost op het kasteel hadden ingericht, waarmee ze 24 uur per dag, tot aan de bruggen van Arnhem en Nijmegen, alles overzagen. De kanonnen van deze artillerie-eenheid stonden echter niet in de Over-Betuwe, maar aan de overzijde (noordzijde) van het Pannerdensch Kanaal. Een batterij had zijn stelling iets ten noorden van de dijk bij de Loowaard en een ander iets ten noorden van de dijk bij Kandia. De kalibers van hun kanonnen waren dermate zwaar dat zij er, tot aan Lent toe, doelen mee konden beschieten. De stafafdeling en hun observatiepost op het kasteel hadden echter geen rol in de directe vuurleiding. De vuurleiding van de kanonnen vond plaats vanuit zogenaamde Vorausgeschobene Beobachtungsstellen (VB-St.) die iets ten zuidwesten van Angeren waren gestationeerd.9 

Het kasteel als doelwit
De aanwezigheid van Duitse troepen op het kasteel ontsnapte niet aan de aandacht van de geallieerden. Al vanaf half september van 1944 werd het kasteel dan ook regelmatig met granaten beschoten. Veel schade werd daarbij echter niet veroorzaakt. Toen de geallieerden in januari 1945 ontdekten dat het Duitse 23e Fallschirmjägerregiment er een hoofdkwartier op had gestationeerd, besloot de geallieerde legerleiding om de Royal Air Force (RAF) een luchtaanval op het kasteel te laten uitvoeren. Op 22 januari 1945 stegen hiertoe Engelse Hawker Typhoon jachtvliegtuigen op, vanaf de luchtbasis te Gilze-Rijen. Elk van de vliegtuigen was bewapend met acht 60 pound raket-aangedreven projectielen (RP’s). Rond 12:00 uur doken de eerste acht vliegtuigen, van het 164eSquadron, boven het in die dagen in sneeuw gehulde kasteel op en beschoten de gebouwen op de voorburcht met hun projectielen en 20 mm boordkanonnen. Zo’n 20 minuten later arriveerden nogmaals acht jachtvliegtuigen, ditmaal van het 198e RAF Squadron. Ook zij bestookten de gebouwen op de voorburcht. Terwijl de laatste jagers uit het zicht verdwenen, bleef de Doornenburg, volgens een ooggetuige, in een enorme stof- en rookwolk achter. De hoek- en Langeracktoren brandden uit en de stal en het woon-verblijf van de familie Derksen (de kasteelboer) waren zwaar beschadigd. Volgens ooggetuigen verlieten de Duitsers na deze aanvallen (waarbij ook gewonden en één dode vielen) het kasteel en verplaatsten zich naar Huissen.

Ook de aanwezigheid van de nadien op het kasteel gestationeerde stafeenheid van het Fallschirmjägerartillerieregiment 2 ontging de geallieerden niet. Op 13 maart 1945 werd erdoor de RAF weer een aanval op het kasteel uitgevoerd. Ook ditmaal vanaf de basis Gilze-Rijen, maar dan met vijf Hawker Typhoon vliegtuigen van het 183e RAF Squadron die elk waren voorzien van twee bommen van elk 1000 pound (500 kilo). Volgens het Operations Record Book van dat Squadron, vond de aanval rond 16:00 uur plaats en vloog men op het moment van de aanval bijna horizontaal, op slechts 15 à 20 meter hoogte, op het kasteel af. Het kon aldus ook niet anders dan dat hun bommen doel troffen… De uitwerking van de treffers was verschrikkelijk. De voorburcht kreeg zeker vier bommen te verwerken en de hoofdburcht twee. Twee bommen werden na de oorlog in het ten westen van het kasteel gelegen weiland gevonden. Deze waren niet ontploft9. Hoe dan ook, dramatisch was het lot van de hoofdburcht. De bommen doorboorden daar de twee meter dikke westmuur van het gebouw. Eén bom detoneerde niet, maar het gevolg van de explosie van zeker één andere was van dien aard, dat de muren van de hoofdburcht naar buiten klapten en het dak instortte. Tot dusver werd steeds aangenomen dat de Duitsers nog net voor deze aanval de burcht hadden verlaten. Dit op basis van het feit dat zij slechts hun observaties van de 13e maart tot 12:00 uur in het ‘Meldungsheft’ hadden ingeschreven.

Analyse van de chronologie en methode van de inschrijvingen in het Meldungsheft toont echter, dat zij hun observaties niet direct op het moment van waarnemen daarin noteerden. Het Meldungsheft bevat namelijk ‘samenvattingen’ ingedeeld in ‘rubrieken’, die op deze wijze pas ‘na’ een afgeronde observatiedienst kunnen zijn genoteerd…

Bij het feit dat de Duitsers hun waarnemingen van die middag niet meer noteerden kunnen we ons wel iets voorstellen…

Feit is echter wel, dat zij hun waarnemingen tot 15:00 uur (gezien het rooster) eigenlijk nog wel hadden kunnen inschrijven, want het zware bombardement vond pas rond 16:00 uur plaats. Daarna kon het zeker niet meer, want toen lag het Heft‘ verborgen’ in het puin…

Dat de kanonnen van hun regiment, twee dagen na het bombardement op het kasteel, nog steeds op dezelfde locaties in stelling stonden, pleit ook voor de gedachte dat de Duitsers op het kasteel nog aanwezig waren toen het bombardement daar plaats vond.10

In de gegevens van de Duitse militaire gravendienst vinden we een van de in ‘ons Heft‘ vermeldde Duitsers. Hij sneuvelde precies op de dag van het zware bombardement.11 Toeval?

Was hij het, die op het moment van het bombardement de observatiedienst in de Spietoren had?

Ofschoon het kasteel Doornenburg voor de Engelsen na dit bombardement een afgedane zaak was, was de laatste fase van het oorlogsgeweld voor het kasteel nog niet voorbij.

Rond het middaguur van 15 maart 1945, zijnde twee dagen na het zware bombardement, stond het poortgebouw nog steeds overeind. Dit kunnen we opmaken uit een op die dag door de RAF gemaakte luchtopname. Op 23 maart 1945 kan men echter (op een op die dag gemaakte luchtopname) herkennen dat ook het poortgebouw toen in puin lag.12 Hoewel feitelijk bewijs hiervoor nog steeds ontbreekt, meent men dat het vernietigen van het poortgebouw toch echt het werk van de Duitsers was.

Bevrijding
Doornenburg werd uiteindelijk op 2 april 1945 door de Engelse 49th Infantry Division ‘West Riding’ van major-general Stuart Blundall Rawlins bevrijd.13 Al op 3 april waren alle Duitsers in de Over-Betuwe overwonnen en trok de divisie via een door hen geconstrueerde pontonbrug bij Pannerden het Pannerdensch Kanaal over richting Westervoort en Arnhem.

Herstel
Al in de zomer van 1945, begon de Stichting tot Behoud van den Doornenburg aan de enorme klus om het kasteel weer in zijn vorige staat te herstellen. Gelukkig konden tal van stenen weer worden hergebruikt en kon men profiteren van de ervaringen van de bouwkundige leiding en arbeiders die óók aan de eerste restauratie (1936-1941) hadden meegewerkt. Aldus kon het kasteel van Doornenburg uiteindelijk weer in zijn oorspronkelijke glans worden hersteld.

‘Alsof er nooit iets gebeurd is’…

Bekijk hier het interview met vliegenier Peter Brett die op 23 januari 1945 deelnam aan de aanval op kasteel Doornenburg.

Dit artikel is eerder gepubliceerd in Heraut 01/2020, blad van de Historische Kring Doornenburg.

Bronnen en noten:
  1. Tegenwoordige Staat der Vereenigde Nederlanden derde deel, Isaak Tirion, Amsterdam, 1741. Op Blz. 255 lezen we over de Doornenburg; ‘aanzienlyk adelyk slot, dat, in ‘t jaar 1565, gebouwd, en in ‘t jaar 1660 vernieuwd is….etc.
  2. De historicus F.M. van Hemmen voerde in 1985 onderzoek uit in militaire ‘records’ in het National Archive te Londen. Hij publiceerde zijn conclusies o.a. in een krantenartikel in de Gelderlander van 23 november 1985.
  3. Tieke, Wilhelm, Im Feuersturm letzter Kriegsjahre, Pour le Mérite- Verlag für Militärgeschichte, Selent, Oostenrijk, 2006, ISBN 13:978-3-932381-35-5, 302.
  4. Brouwer, Dr. Jan, Van Market Garden tot bevrijding, Historische Vereniging Marithaime, Elst 2014, ISBN 978-90-816342-3-6, 79, kolom 2.
  5. Im Feuersturm letzter Kriegsjahre…, 367.
  6. Notitie van J.H.A. van Heek nov. 1963, ‘Hebben we nu oorlog?’, De Heraut 2014, uitgave van Historische Kring Doornenburg, derde druk, 77.
  7. Kammann, Willi, Der Weg der 2. Fallschirmjägerdivision, 1998, ISBN 3-88014-115-0, 113.
  8. Archief kasteel Doornenburg, Stichting tot Behoud van den Doornenburg.
  9. National Archives London, Public Record Office, RAF-foto 14 maart 1945, Wing 123-3, foto 1013, 183e Squadron.
  10. Dotka Data Bestand RAF-foto 15 maart 1945, flight 214, run 08, foto 3090.
  11. Het betrof de toen 22 jarige Kanonier Jozef Jocheim uit Essen. Hij diende bij het Fallschirmjäger Artillerie Regiment 2. Het Meldungsheft bevat diverse door hem met hand ingeschreven meldingen.
  12. Dotka Data Bestand RAF-foto 15 maart 1945, flight 252 run 05 foto 4126.
  13. Met name door het 1e Batailion Leicestorshire Regiment van de 147e Infantry Brigade van de 49th Infantry Division. Zij werden daarbij ondersteund door het 11th Canadian Armoured Regiment uit Ontario (behorende tot de Canadeese 5th Armoured Division). Zie: Report No 39 van de Canadian Historical Section (G.S.) Army Headquarters, Operations of 1 Cdn Corps in North-West Europe, 15 Mar – 5 May 45, Department of National Defence, januari 31, 1951, paragraph 16 t/m 19.