Kampement 1e Canadese Leger en RAF in park Twickel

Twickel | Overijssel

20 april 2020 | Aafke Brunt


Bommen en granaten. Vijfenveertig gebouwen beschadigd, waarvan vijf zodanig dat ze niet hersteld konden worden. Inkwartiering van de vijand. Twee moorden en een zelfmoord. Bevrijders die het park ruïneerden. Maar het kasteel bleef grotendeels ongedeerd.

Op 10 mei 1940 werd de kasteelvrouwe barones Van Heeckeren om vier uur ’s ochtends wakker door vliegtuiggeronk. Al snel volgden zorgen over de veiligheid van Twickel. Brand was al eeuwenlang de aartsvijand van het huis, en oorlog betekende bijna altijd brand. Op 15 mei liet ze haar personeel de nieuwe brandspuit testen.
“Seyss-Inquart rijkscommissaris in Nederland!”, noteerde ze op 20 mei in haar dagboek. In september 1944 zou hij haar huis confisqueren voor zijn secretariaat.

Op 5 september 1944, Dolle Dinsdag, trokken de Duitsers zich overhaast terug. Geallieerde vliegtuigen verschenen plotseling boven Twickel om de vluchtende troepen te beschieten. Dit verliep zonder schade. Enkele dagen later kwamen twee Duitse officieren met de boodschap dat Seyss-Inquart zijn hoofdkwartier op Twickel wilde vestigen.

Op 11 september werd het huis klaar gemaakt voor 30 personen: Hauptmann Heinisch, adjudant van de rijkscommissaris, zijn Franse echtgenote, stafleden, waaronder een secretaresse en een telegrafist, een kok en drie dienstbodes. Het rijkscommissariaat betrok 48 vertrekken. Voor de barones en het huispersoneel bleven slechts enkele kamers over.
De barones dacht er niet over om te vertrekken. Zij bleef om het kasteel te beschermen. Op 17 september arriveerde Seyss-Inquart met Heinisch, zijn echtgenote en hun gevolg. Seyss-Inquart inspecteerde de kamers en vertrok. Hij zou nog enkele keren terugkeren zonder dat de barones hem zou zien.

Op 31 maart 1945 lag Twickel in de frontlinie. De opmars van de Canadezen stokte bij het Twentekanaal. Er waren zo veel ontploffingen dat het kasteel schudde op zijn grondvesten. Op 1 april, Eerste Paasdag, werden de kanaalbruggen opgeblazen. De in het kasteel gehuisveste Duitsers sloegen op de vlucht. De familie Heinisch en telegrafist Herr Koch bleven achter.

Op de Tweede Paasdag startte een hevige aanval met granaatvuur. De barones opende alle deuren om te voorkomen dat de ruiten door de luchtdruk zouden sneuvelden. De nachtwaker legde de brandslangen klaar. Op 3 april floten de granaten om het kasteel. De noordtoren werd getroffen. Uit de zitkamer kwam een dikke rookwolk. Het interieur liep ernstige schade op maar er ontstond geen brand. In het park kreeg de oranjerie een voltreffer.

Op 4 april staken de Canadezen het kanaal over. Terwijl de eerste militairen het park inliepen beroofde Heinisch zijn vrouw, kleinzoontje en zichzelf van het leven. Zijn schoondochter overleefde omdat Herr Koch het niet kon opbrengen haar dood te schieten.
Enkele uren later meldde captain J.R. Asser zich. Hij was de verbindingsofficier van prins Bernhard. Hij zorgde ervoor het kasteel niet bezet werd. In de volgende dagen zetten de Canadezen van het Lincoln en Welland Regiment hun tenten in het park. Generaal H.D.G. Crerar sloeg zijn tent op in de rotstuin. De schade die in het park werd aangericht was aanzienlijk. Het herstel duurde tot 1950.

In april 1945 legden de Canadezen een vliegveldje aan op een grasbaan – ‘austerstrip’ – tegenover de moestuin. Vanaf dit veld hielden de Canadezen met Stinson-verkenningsvliegtuigjes de aftocht van de Duitsers in de gaten. Ook landden hier de hoge militairen die op bezoek kwamen bij generaal H.D.G. Crerar, bevelhebber van de Canadezen. Crerar beschikte bij zijn tent in de rotstuin over verschillende telefoonverbindingen. Zo kon hij vanuit Delden leiding geven aan operaties tot ver in Duitsland.