Kamp Bruinhorst, van Joods werkkamp tot opvang voor ex-KNIL militairen

Bruinhorst | Gelderland

12 mei 2020 | Fred Vogelzang


In 1951 arriveerden twee schepen vanuit de net geproclameerde Republiek Indonesië in de havens van Amsterdam en Rotterdam. Aan boord waren 12.500 KNIL-soldaten en hun gezinnen. De Nederlandse regering was naarstig op zoek naar plekken om deze mensen onder te brengen. Eén van die locaties werd het kasteel Bruinhorst in Ederveen.

Repatriëring
Het Koninklijk Nederlands-Indische Leger (KNIL) had een grote rol gespeeld bij de verovering van de Indonesische archipel en ook in de onafhankelijkheidsstrijd na 1945 van Indonesië. Toen Nederland gedwongen werd om zich uit haar voormalige kolonie terug te trekken, moest ook voor het KNIL een oplossing worden bedacht. Complicerende factor was dat veel KNIL-militairen uit Ambon, de Molukken, afkomstig waren. Ze stonden bekend om hun trouw en toewijding. Velen behoorden ook tot de zogenaamde ‘Belanda Hitam’[1], zwarte Nederlanders. Op Ambon echter werd na het uitroepen van de nieuwe Indonesische Republiek een eigen Republiek uitgeroepen. Wat betekende dat voor de KNIL militairen van Molukse afkomst? Als tijdelijke oplossing werden de KNIL-soldaten ingelijfd bij het Nederlandse leger en kregen ze de dienstopdracht om zich in te schepen richting Europa. Een ‘repatriëring’, maar voor velen waarschijnlijk de eerste keer dat ze hun ‘vaderland’ zouden aanschouwen. In Nederland, dat net met de Wederopbouw was begonnen, was nauwelijks huisvesting voor de duizenden gezinnen beschikbaar. Bovendien wilde de overheid hen buiten de samenleving huisvesten, omdat het idee was dat ze binnen enkele maanden zouden terugkeren. Voor de KNIL-soldaten was het waarschijnlijk een onaangename verrassing dat ze bijna direct na aankomst uit dienst ontslagen werden. Ze vertrokken richting Amersfoort voor een geneeskundig onderzoek en werden daarna over heel Nederland verspreid.

Joods werkkamp
Een van de locaties was het voormalige werkkamp Bruinhorst bij Ederveen. In 1941 was deze buitenplaats door de Nederlandse staat verworven om er, als een van de vele, een werkkamp in te vestigen. Door de anti-Joodse maatregelen waren veel joodse mannen werkloos geworden. Zij werden door de Rijksdienst voor de Werkverruiming in kampen zoals Bruinhorst verzameld en lokaal te werk gesteld. In Ederveen waren ze betrokken bij de ruilverkaveling. Het was feitelijk een cynische tussenstap naar de dood. Door de joodse gezinnen uit elkaar te halen, verwachtte men dit bevolkingsdeel gemakkelijker naar de concentratie- en vernietigingskampen te kunnen sturen. Waarschijnlijk hebben er bijna 200 mannen in Bruinhorst gebivakkeerd. In het huis woonden er 136, in drie in de tuin gebouwde barakken de rest. De Heidemij was de uitvoerder van de ruilverkavelingsplannen en in overleg met de SS werden de lonen vastgesteld. Het kamp Bruinhorst werd geleid door een kok/beheerder, met een tweede kok en huishoudelijke hulp als ondersteuning. Begin 1942 arriveerden de eerste arbeiders, maar al in oktober van dat jaar werden ze, samen met duizenden anderen uit de joodse werkkampen, op transport gezet naar Westerbork. Daar kregen ze gezelschap van hun vrouwen en kinderen. Velen kwamen om in de vernietigingskampen in Oost-Europa.

Bekijk HIER het verhaal van Salomon Hartig Polak die in Bruinhorst heeft gezeten.

Susanne Fisler
Kasteel Bruinhorst, waar de joodse werklozen werden ondergebracht, was de creatie van de Amsterdamse Susanna Elisabeth Fisler. Ze was in 1851 getrouwd met de uit Groningen afkomstige advocaat Frederik Ulrich Herman Reiger. Deze was een oom van de latere burgemeester van Utrecht en vestigde zich met zijn snel groeiend gezin in Amsterdam. Hij was actief in de scheepvaart en had aandelen in verschillende schepen. Voor Susanna sloeg in 1863 het noodlot toe. Eerst overleed haar man op 45-jarige leeftijd, een paar maanden later haar net geboren zoon. In 1868 vervolgens overleed een 9-jarig zoontje. Mogelijk waren ze slachtoffer van de vierde grote cholera uitbraak in de hoofdstad. Hoe Susanna dat ervaren heeft, weten we niet. Ze zal langzaam haar leven hebben opgepakt. In de jaren daarna lijkt Susanna de zomers door te brengen in Velp, maar haar domicilie blijft Amsterdam. Ze is een actieve mecenas in het muziekwezen en steunt verschillende muzikale genootschappen in haar geboortestad. Als in 1875 haar moeder overlijdt, die gezien haar testament geen onbemiddelde dame was, lijkt Susanna over voldoende middelen te beschikken voor een kasteeltje in Ederveen. Drie jaar later wordt er namelijk druk gebouwd op de plek van het huidige Bruinhorst. Fisler laat niet alleen een nieuw huis in eclectische stijl met bijbehorend koetshuis bouwen, ook wordt een langgerekt (1000 m!) landschappelijk park ingeplant. Ze liet de grachten weer ontgraven. Waarom Susanna Fisler Ederveen als plek om de zomers door te brengen, is onduidelijk. In 1879 is er sprake van brandstichting, waarbij 4000 are bos verloren gaat. Het huis is dan nog in aanbouw en er moeten greppels worden gegraven om te voorkomen dat het vuur overslaat naar het nabijgelegen Lunteren. Misschien kwam de brandstichting voort uit jaloezie op de rijkdom van de Amsterdamse weduwe, misschien was haar katholieke geloof in het streng gereformeerde Ederveen aanleiding. Hoe dan ook, het park kwam er toch. Het was een loofbos, met kronkelige paden, vijvers en een rechte laan naar het huis. In 1903 overlijdt Susanna. Het langgerekte perceel van Bruinhorst komt in de verkoop en in 1908 wordt gesproken over een bouwterrein. Een nieuwe villa, Marienhof, verrijst elders op het terrein en ook wordt tussen 1911 en 1930 een groot deel van het parkbos gekapt. In 1940 blijkt het huis verhuurd te worden, om dus twee jaar later door de Staat te worden aangekocht.

Ederveen
Eerst de joodse arbeiders en daarna de Molukse militairen kwamen in een perifeer gebied terecht. Dat zal de acclimatisatie niet hebben vergemakkelijkt. Voor de uit de tropen afkomstige KNIL-mensen moeten Ederveen, het kasteel Bruinhorst en het open agrarische landschap een groot contrast hebben gevormd met Indonesië. Ederveen lag midden in de Gelderse Vallei en dat was eeuwenlang een arme, door wateroverlast geteisterde streek geweest. Het huis Bruinhorst was gelegen op een horst, wat hoger liggend terrein betekent. Het was een van de weinige locaties die niet in de winter blank stond. De lokale arme boeren en turfstekers, die vooral in plaggenhutten woonden, trokken in de zomer naar Holland om daar als landarbeider wat inkomen bij elkaar te schrapen. Toen Bruinhorst werd ingericht voor de Molukse gezinnen, was Ederveen nog steeds een klein dorpje, maar waren de omstandigheden inmiddels verbeterd. Dat was vooral het gevolg van het initiatief van enkele Edese burgerdames. Zij zamelden rond 1873 geld in om in het turfstekersdorp enkele stenen arbeiderswoningen neer te zetten. Later verrezen er ook een kerkje en een schoolgebouw. Belangrijk was ook dat ze zich inspanden voor een betere afwatering, waardoor de langdurige overstromingen afnamen.

Voorgeschiedenis van Bruinhorst
Al in de zeventiende eeuw is er sprake van een hof en huis Bruinhorst en waarschijnlijk gaat het hier om een boerderij. Misschien moeten we denken aan een veenborg zoals in Groningen, van waaruit de turfwinning door de lokale landeigenaar werd gecoördineerd. De familie Brand, die aangetrouwd was aan de Deventer regentenfamilie Jordens, blijkt aan het begin van de achttiende eeuw eigenaar van de boerderij. De Brands hadden veel bezittingen rondom Holten, niet ver van Deventer gelegen. Hoe zij in Ederveen terecht zijn gekomen, is niet zo duidelijk, maar dat in ieder geval nazaat luitenant Jan Maurits Brand zich sterk met het Gelderse verbonden voelde, blijkt uit het feit dat hij zich in 1762 zelfs Brand van den Bruijnhorst noemde. Waarschijnlijk is er toen al sprake geweest van een buitenplaats. In 1764 verkochten Jan Maurits en zijn vrouw Sophia Godin Jordens Bruinhorst aan Assueer Jan baron Torck. Deze Gelderse edelman bezat diverse kastelen en buitenplaatsen, maar zijn hoofdverblijf was het kasteel Rosendaal. Waarom hij het huis Bruinhorst aankocht, blijft onduidelijk. Hij was weliswaar burgemeester van Wageningen, maar die functie bekleedde hij maar twee maal één jaar. Wat zou hij in het armoedige Ederveen hebben gezocht? Het was zijn kleindochter die in 1877 het huis aan Susanna Fisler verkocht.

De Molukse bewoners
Na het vertrek van de joodse arbeiders is onduidelijk wat er met Bruinhorst gebeurde. Volgens sommige bronnen zouden er evacués uit Den Haag zijn ondergebracht. Dat is mogelijk aangezien in die tijd de Atlantikwall vorm kreeg en rondom de Hofstad diverse woonwijken werden geëvacueerd. In ieder geval werden in de jaren na de Bevrijding op de Bruinhorst in de zomer kinderkampen georganiseerd, voor ‘oorlogsslachtoffertjes’. Een katholieke instelling bood tientallen kinderen een paar weken vakantie aan om ze aan te laten sterken. In 1952 arriveerden de eerste Molukse gezinnen. Zij werden in het huis en in de oude barakken ondergebracht. Het was vanaf het begin de bedoeling dat het slechts een tijdelijke oplossing zou zijn. De repatrianten zouden echter bijna 15 jaar op de Bruinhorst blijven wonen. De onduidelijkheid van hun positie en hun toekomst leidde tot frustratie en woede. De Rijksdienst voor de Uitvoering van Werken die verantwoordelijk was voor de Molukse woonoorden, had geen daartoe geschoold personeel in dienst. Er was ook veel kwaadheid over het plotselinge ontslag. In veel opzichten doet de positie van de ex-KNIL militairen denken aan die van de vluchtelingen nu, eindeloos wachtend op een beslissing over hun verblijfsstatus. In 1955 werd het parkbos rondom het huis gerooid, het is onduidelijk of het hier om werkverschaffing ging. In ieder geval brak er in 1956 een opstand uit onder de kampbewoners. Dat zal niet alleen zijn ingegeven door hun verblijfssituatie. Bij de toewijzing van woonruimte was op geen manier rekening gehouden met de geografische en religieuze verschillen tussen de Molukkers en ook dat kon tot spanningen leiden. De kinderen gingen lokaal naar school en het zal voor de autochtonen ook even wennen zijn geweest. Vooral omdat Ederveen een sterk gereformeerde inslag had. In november 1960 ging de vierjarige Pieter Latul voor het eerst naar de School met de Bijbel. Er zaten al vier andere Molukse kinderen in zijn klas. Van de taal begreep Piet nog niet zoveel maar toen hij steeds meer Hollandse vriendjes kreeg, verdween die barrière. Zijn leven op Bruinhorst was veel armoediger dan dat van zijn klasgenoten. Er waren in het kasteel geen eigen keukens of washokken, er was alleen koud water en de gezinnen sliepen op stapelbedden met stromatrassen. Maar aan de andere kant bood het park van Bruinhorst mogelijkheden om avonturen te beleven. In 1965 werd het kasteel door de Inspecteur der Domeinen te koop gezet en verlieten de laatste gezinnen Bruinhorst en vestigden zich in Lunteren.

Opnieuw in particuliere handen
In 1966 wordt Bruinhorst genoemd als onderdeel van een toeristische route door de Gelderse Vallei. In die tijd wordt er het een en ander verbouwd aan het huis en bijvoorbeeld een terras aangelegd. Het is onduidelijk wie er toen eigenaar was. Vanaf 1980 waren kasteel en park in bezit van een religieus genootschap. De in 1935 in Groenekan ontstane geloofsgemeenschap Katholiek Apostolisch Werk. In het kasteel werd een stichting gevestigd, die de materiële belangen van het genootschap beheerd. Er werd in die periode een restauratie doorgevoerd. In 2009 werd het opnieuw particulier bezit. Er zijn plannen om delen van het huis te herstellen, maar veel originele details zijn verdwenen en er is discussie over het behoud van latere toevoegingen. Het zou goed zijn het bewogen oorlogsverleden van deze plek voor het nageslacht te bewaren.

Met dank aan Tamar Drescher voor het mogen gebruiken van het verhaal over de briefwisseling tussen van Salomon Hartog Polak en zijn vrouw Elsje.

Voetnoot
[1] De Orang Blanda Itam (of Belanda Hitam) ook wel Zwarte Hollanders of Indo-Afrikanen genaamd, waren West-Afrikaanse rekruten geworven in de Nederlandse vestiging Elmina in Afrika voor dienst in het koloniale leger van Nederlands-Indië.
Literatuur
— Akihary, H. Van Almere tot de Zwaluwenburg. Molukse woonoorden in Nederland. In H. Smeets & W. Manuhutu (red.), Tijdelijk Verblijf. De opvang van Molukkers in Nederland, 1951 (Amsterdam 1991) 40–73
— Keunen, L.J. e.a. Sporen van Ontwikkeling. Raap rapport 2500 (Ede 2012)
— Rackham, D., ‘Kasteeltje Bruinhorst. Karakteranalyse en herstel van een monumentaal ensemble’, — Vitruvius nr. 17, oktober 2011, 26-37
— Website Stichting Moluks Historisch Museum
— https://nl.wikipedia.org/wiki/Orang_Blanda_Itam